Naar boven ↑
4.272 resultaten

Rechtspraak

PFR 2015-0282

Erfrecht. Eiseres, dochter van erflaatster, is erfgename van haar moeder samen met drie stiefkinderen en een pleegkind. Zij maakt aanspraak op haar legitieme portie. Daartoe dient inkorting plaats te vinden van giften die de erflaatster aan haar pleegkind, gedaagde, heeft gedaan. Eiseres vordert die inkorting van de gedaagde erfgename, het pleegkind. De kantonrechter overweegt dat een executeur is benoemd en dat deze wist dat eiseres aanspraak maakte op de legitieme. Door het geldend maken van de legitieme jegens de gezamenlijke erfgenamen wordt eiseres als legitimaris schuldeiser van de nalatenschap (vgl. artikel 4:7 lid 1 onder g BW). Ter zake haar legitimaire aanspraak had eiseres zich als schuldeiser van de nalatenschap dienen te wenden tot de executeur, nu uit de executele expliciet volgt dat het tot zijn taak behoort om de schulden van de nalatenschap te voldoen die tijdens zijn beheer uit de goederen moeten worden voldaan. Aangezien de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de executeur een privatieve is, is hij ter zake het voldoen van de legitieme aanspraak met uitsluiting van de erfgenamen bevoegd. Eiseres kan daarom niet in haar vorderingen worden ontvangen voor zover deze de inkorting van het erfdeel van gedaagde betreffen. Daartoe dient de executeur te worden aangesproken. Maar de niet-ontvankelijkheid strekt zich niet uit voor zover het gaat om de inkorting door eiseres op de giften van € 22.500 aan gedaagde. Uit de wet volgt (artikel 4:79 sub b jo. 4:89 lid 1 en 4:90 lid 1 BW) dat eiseres ter zake deze giften een rechtstreekse vordering tot inkorting heeft. Volgt veroordeling van gedaagde tot betaling van het bedrag van deze giften aan eiseres.
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 02-09-2015

Rechtspraak

PFR 2015-0271

Het hof spreekt ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing uit, beide voor de duur van een jaar, ook al is er geen zicht op terugplaatsing. Het kind, over wie de moeder alleen het gezag uitoefent, woont al jaren bij grootmoeder. Eerst in het kader van een ots met uithuisplaatsing, later in vrijwillig kader. Naar aanleiding van een incident is de verhouding tussen grootmoeder en moeder vertroebeld. Het contact tussen moeder en kind was stopgezet. Het kind komt klem te zitten tussen moeder en grootmoeder. De rechtbank heeft het verzoek om ots en uhp afgewezen, alsmede het subsidiaire verzoek tot gezagsbeëindiging. De Raad voor de Kinderbescherming stelt in hoger beroep dat binnen de huidige wetgeving het kind tussen de wal en het schip valt. Voor een ots wordt aan de voorwaarde van zicht op thuisplaatsing niet voldaan, en gezagsbeëindiging zou de situatie alleen maar verslechteren. Dat verzoekt de raad in hoger beroep dan ook niet meer. Zowel pleegmoeder als moeder stellen dat er geen klemsituatie voor het kind is. Het contact tussen hen verloopt weer beter. Het hof is van oordeel dat het kind thans in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en dat de zorg die nodig is om de bedreiging weg te nemen onvoldoende wordt geaccepteerd. De verwachting is gerechtvaardigd dat de moeder de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding weer zal dragen, in die zin dat zij het verblijf en opgroeien bij de grootmoeder weer vrijwillig zal ondersteunen. Dat het perspectief voor het kind bij de grootmoeder ligt, staat daarmee niet in de weg aan een ots en uhp.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 27-08-2015