Verzoekster vraagt de rechtbank om de vermissing van haar echtgenoot vast te stellen, van wie sinds de jaren tachtig ieder spoor ontbreekt na arrestatie onder het regime van Saddam Hoessein. Hoewel objectieve bewijsstukken ontbreken, acht de rechtbank op basis van verklaringen en omstandigheden voldoende aannemelijk dat zijn bestaan onzeker is en hij vermoedelijk is overleden. De rechtbank stelt betrokkene eerst in de gelegenheid om via een openbare oproep kenbaar te maken dat hij nog in leven is. In afwachting daarvan wordt de beslissing over de definitieve vaststelling van de vermissing aangehouden.
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 17-02-2026