Naar boven ↑
4.248 resultaten

Rechtspraak

PFR 2026-0147

Wie beslist er of iemand ‘echt’ gehuwd is: de BRP of de rechter? In deze zaak legt de rechtbank uit dat de bevoegdheid om het bestaan en de rechtsgeldigheid van een (buitenlands) huwelijk te beoordelen, bij de rechter ligt en niet bij het college van B&W of een daartoe gemandateerde ambtenaar. De BRP is een administratieve basisregistratie met authentieke gegevens, geen constitutief huwelijksregister: een inschrijving – zelfs op basis van een verklaring onder ede – is een zwaarwegend bewijsmiddel, maar geen bindend materieelrechtelijk oordeel over het huwelijk. In procedures over echtscheiding en andere familierechtelijke rechtsgevolgen moet de rechter daarom zelfstandig, op basis van alle stukken en verklaringen, vaststellen of van een rechtsgeldig en voor erkenning vatbaar huwelijk kan worden uitgegaan, ook als de BRP iets anders suggereert of juist steun biedt. De BRP-registratie fungeert daarbij als belangrijk startpunt in de bewijsvoering, maar kan worden weerlegd wanneer verklaringen innerlijk tegenstrijdig of ongeloofwaardig zijn of wanneer partijen geen gebruikmaken van een geboden bewijsgelegenheid. In dit geval oordeelt de rechtbank – mede wegens tegenstrijdige en ongeloofwaardige verklaringen van de vrouw en het bewust afzien van nadere bewijslevering – dat het bestaan van het gestelde huwelijk niet is komen vast te staan, en verklaart de rechtbank de vrouw in haar verzoek tot echtscheiding (opnieuw) niet-ontvankelijk, ondanks de BRP-registratie en de andersluidende opvatting van de gemeentelijke ambtenaar.
Rechtbank Noord-Nederland (Locatie Groningen), 12-06-2026