Onderlinge gelijkwaardigheid tussen minderjarige verdachte en aangeefster
Een minderjarige verdachte wordt vrijgesproken van het seksueel binnendringen van het lichaam van een destijds vijftienjarig meisje. Niet bewezen is dat zij in staat van bewusteloosheid of verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde. Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde is de rechtbank van oordeel dat de seksuele handelingen niet gekwalificeerd kunnen worden als ontuchtige handelingen. Hierbij houdt de rechtbank rekening met het feit dat zowel aangeefster als verdachte destijds vijftien jaar oud waren en in het voortraject van een relatie zaten, naar de rechtbank begrijpt een zogenaamde ‘fix’. Deze relatie was weliswaar (nog) niet duurzaam, maar er was wel sprake van een onderlinge gelijkwaardigheid. Dat de seksuele handelingen door een ander dan de verdachte zijn gefilmd en verspreid, acht de rechtbank zonder meer grensoverschrijdend en in strijd met de sociaal ethische norm, maar kan niet aan de verdachte worden toegerekend.
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Haarlem), 24-11-2022