Commentaar PFR 2017-0003

W.M. Schrama | 23-02-2017

Hordespringen voor stiefouderadoptie, annotatie bij Rb. Rotterdam 9 december 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:9811.


Download pdf

Lees ook de rechtspraak: Rechtbank Rotterdam 09-12-2016


Wendy_schrama

Hordespringen voor stiefouderadoptie, annotatie bij Rb. Rotterdam 9 december 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:9811.

Een Congolese moeder krijgt in 2003 een dochter. De dochter heeft geen juridische vader en niet bekend is wie de biologische vader van het meisje is. De moeder trouwt met een Nederlander en komt met haar dochter in september 2009 naar Nederland. Binnen drie maanden is de vrouw vertrokken. Ze belt in de zeven jaar tot aan de rechtszaak slechts één keer met de man en haar dochter, vlak na haar vertrek. Ze is verder onvindbaar en heeft geen contact gehad met de dochter. De man voedt al die jaren zijn stief-/pleegdochter alleen op. In december 2010 wordt de echtscheiding uitgesproken op verzoek van de man. In 2011 is het gezag van de moeder geschorst en is de man tot voogd benoemd.

De man wil in een familierechtelijke betrekking tot de dochter komen te staan. De stiefdochter onderschrijft die wens. Een eerder verzoek tot adoptie door de man is afgewezen, omdat de moeder nog het gezag had; een feit dat in de weg staat aan adoptie. Tegelijkertijd bestaat de wens om de afstamming tussen de moeder en de dochter te laten bestaan. Dat is de reden waarom niet gekozen wordt voor een gewone eenouderadoptie; die zou er namelijk toe leiden dat de banden met de moeder doorgesneden zouden worden.

De advocaat zet in op – zoals in het verzoek wordt omschreven – een stiefouderadoptie, waarbij het uitgangspunt is dat de partner van een juridische ouder het kind adopteert, terwijl de ouder en de partner in gezinsverband samenleven. Dat leidt hier tot de nodige problemen, omdat de man niet langer de echtgenoot van de moeder is, maar een ex-echtgenoot. Bij partneradoptie is een voorwaarde voor toewijzing dat de moeder en de man voorafgaand aan het verzoek drie jaar samengewoond hebben (art. 1:227 lid 1 BW). Ook dienen de man en de moeder het kind ten minste een jaar samen verzorgd te hebben (art. 1:228 lid 1 onder f). Tot slot dient de moeder geen gezag meer te hebben. Nogal wat hordes dus. De rechtbank neemt ze één voor één.

In de beslissing wordt het feit dat het niet om een echtgenoot van de moeder gaat, maar om een ex-echtgenoot, slechts terloops genoemd. De rechtbank gaat er hierbij van uit dat een verzoek vanzelfsprekend ook door een voormalig echtgenoot gedaan kan worden. Dat lijkt me echter geen juiste rechtsopvatting. Het idee achter het toestaan van deze vorm van adoptie was dat het kind in een nieuw gezin van de ouder en diens partner zou opgroeien. Niet alleen het taalgebruik in de wet is helder (‘echtgenoot’, en niet ‘ex-echtgenoot’), maar ook uit de andere vereisten vloeit voort dat stiefouderadoptie gericht is op het opgroeien in het nieuwe gezin van twee ouders.

Ook de eisen met betrekking tot de termijnen worden soepel geïnterpreteerd aan de hand van de bepalingen uit het Verdrag voor de rechten van het kind. Dat gebeurt wel vaker, maar hier gaat het wel erg ver. De man en de moeder hebben namelijk in totaal drie maanden samengeleefd voor de moeder vertrokken is. Van bestendigheid van die relatie is niet veel terechtgekomen, zo blijkt uit de feiten. En juist dat was de bedoeling van de wet: ervoor zorgen dat het geadopteerde kind twee ouders heeft, die hopelijk bij elkaar blijven. Ze hebben het in ieder geval drie jaar met elkaar moeten redden voordat het verzoek ontvankelijk is. De rechter freewheelt hier en past de bestendigheidseis toe op de gezinssituatie tussen de man en de dochter.

Dat de rechter, gelet op de feiten, ervan uitgaat dat de moeder het verzoek niet tegenspreekt, vind ik gerechtvaardigd. De vereisten dat de adoptie in het kennelijk belang van het kind is en dat het kind er zelf voorstander van is, leveren in casu geen problemen op. Vervolgens sluit de rechtbank af met de conclusie dat adoptie mogelijk is, gelet op de wens van het kind en verder wordt geacht aan de voorwaarden voldaan te zijn. Pas daarna komt het verzoek tot beëindiging van het gezag aan de orde, terwijl ook dat een voorwaarde is voor toewijzing van het adoptieverzoek. De man is, nu hij de stiefdochter meer dan een jaar verzorgd en opgevoed heeft in zijn gezin, bevoegd een verzoek tot beëindiging van het gezag in te dienen. Dit verzoek wordt ook door de Raad voor de Kinderbescherming onderschreven en wordt door de rechter toegewezen.

Het gaat hier om een zeer uitzonderlijke situatie, die in geen enkel juridisch vakje past. Gelet daarop is het begrijpelijk dat de rechter kiest voor dit resultaat: adoptie door de man met instandhouding van de familierechtelijke betrekking met de moeder. Aan de andere kant: op deze manier wordt het adoptierecht wel ver opgerekt en de vraag rijst of de rechter zo ver mag gaan.

Een alternatief zou in het onderhavige geval geweest zijn om een ‘gewone’ eenouderadoptie te verzoeken en toe te wijzen. In dat geval hoeven die hordes niet genomen te worden. Op basis van artikel 3 in combinatie met artikel 20 lid 3 VRK zou dan het rechtsgevolg van de eenouderadoptie dat de band met de moeder verbroken zou worden, buiten spel gezet kunnen worden.

Dat geen enkel vakje goed past, blijkt ook uit het feit dat erkenning van het kind door de man in casu niet veel uitkomst biedt.

Mogelijk is naar Congolees recht de toestemming van de moeder vereist, maar omdat ze verdwenen is, kan die niet aan haar gevraagd worden. Het is dan de vraag of de rechter die toestemming zou vervangen, ook al zou dat strikt genomen niet mogelijk zijn (hij is verwekker, noch instemmende levensgezel). Bovendien zou dit uiteindelijk niet het gewenste gevolg hebben, omdat het meisje de leeftijd van 7 jaar al gepasseerd is. Daardoor zou zij niet het Nederlanderschap verkrijgen; immers de man zou dan moeten aantonen dat hij haar biologische vader was, hetgeen in casu niet zo was. Bij adoptie door een Nederlander verkrijgt een kind, ongeacht zijn leeftijd, wel het Nederlanderschap.

Uiteindelijk is in dit soort zaken beslissend wat de rechter laat prevaleren en hoe hij zijn taak ziet. Wil hij situaties waarvoor de wetgever onmogelijk kan wetgeven omdat ze te uitzonderlijk zijn, toch recht doen, of niet? Daarover kunnen de ideeën verschillen. Zie in dat verband ook de uitspraak van Rechtbank Noord-Holland 21 december 2016, ECLI:NL:RBNHO:2016:10646 (PFR 2017-0014) waar voor een andere lijn wordt gekozen.