Commentaar PFR 2014-0272

J. Kok | 27-10-2017

Contra-expertise op grond van artikel 810a Rv. Uitleg bij Hoge Raad 22 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2445; zie ook ECLI:NL:HR:2014:2632, PFR 2014-0272.


Download pdf

Lees ook de rechtspraak: Hoge Raad 05-09-2014


Jeanette_kok

Contra-expertise op grond van artikel 810a Rv. Uitleg bij Hoge Raad 22 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2445; zie ook ECLI:NL:HR:2014:2632, PFR 2014-0272.

In deze zaak is het verzoek van de ouders om een contra-expertise uit te voeren op de voet van artikel 810a lid 2 Rv door het Hof Arnhem-Leeuwarden geweigerd. Hier wordt in cassatie over geklaagd. De Hoge Raad verwerpt het beroep, omdat de in het middel aangevoerde klachten niet tot cassatie kunnen leiden (artikel 81 lid 1 RO). Desondanks is de uitspraak interessant, omdat een verzoek tot contra-expertise steeds vaker wordt gedaan, terwijl het voor de praktijk niet altijd duidelijk lijkt wanneer een dergelijk verzoek zinvol is en/of moet worden toegewezen. Zie bijvoorbeeld Hof Arnhem-Leeuwarden 21 september 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:8345 of Hof ’s-Hertogenbosch 13 juli 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:3299. De conclusie van advocaat-generaal (A-G) mr. F.F. Langemeijer zet de criteria op grond waarvan een dergelijk verzoek beoordeeld moet worden, helder uiteen (ECLI:NL:PHR:2017:886).

Casus

In deze zaak is een verstandelijk gehandicapte jongen in december 2011 onder toezicht gesteld van de William Schrikker Stichting en is gelijktijdig een machtiging tot uithuisplaatsing afgegeven in een AWBZ-verblijfsvoorziening. Nadien is de ondertoezichtstelling (OTS) met uithuisplaatsing steeds verlengd. In oktober 2014 wordt de jongen geplaatst in het gezinshuis van ’s Heeren Loo te Ermelo en vanaf 8 juli 2016 verblijft hij in een ander gezinshuis te Ermelo. De plaatsing in het gezinshuis van ’s Heeren Loo leidt tot een reeks procedures (vijf) waarin in één zaak een contra-expertise wordt gevraagd. Het hof behandelt de zaken gevoegd. Bij tussenbeschikking van 19 mei 2015 gelast het hof onder meer een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming en wijst het verzoek van de ouders tot benoeming van een andere deskundige dan de Raad voor de Kinderbescherming af. De Raad voor de Kinderbescherming brengt op 14 juli 2016 rapport uit met als bijlage een verslag van een forensisch-psychologisch onderzoek van de zoon. In de eindbeschikking van 31 januari 2017 overweegt het hof met betrekking tot de contra-expertise: ‘Het hof acht zich voldoende voorgelicht om een beslissing te kunnen nemen. De bevindingen die zijn neergelegd in het rapport van de Raad voor de kinderbescherming en het verslag van het psychologisch onderzoek zijn niet onzorgvuldig tot stand gekomen. Daarom moet worden geoordeeld dat het doen uitvoeren van een nieuw onderzoek niet mede tot beslissing van de zaak kan leiden, terwijl voorts moet worden geoordeeld dat een nieuw onderzoek opnieuw een belasting voor [de zoon] zal betekenen, zodat ook het belang van [de zoon] zich daartegen verzet’ (r.o. 5.12).

Maatstaf

Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat artikel 810a lid 2 Rv beoogt te bevorderen dat ouders een standpunt van de Raad voor de Kinderbescherming in een zaak over een kinderbeschermingsmaatregel desgewenst gemotiveerd kunnen weerspreken. Een ondertoezichtstelling of beëindiging van het ouderlijk gezag of van de voogdij grijpt immers wezenlijk in de persoonlijke levenssfeer en het familie- en gezinsleven in (Kamerstukken II 1993/94, 22487, 15 en 18; Handelingen II 1993/94, p. 4135-4161). Dit betekent dat niet lichtvaardig een verzoek om contra-expertise mag worden geweigerd, juist omdat het artikel beoogt ouders een instrument in handen te geven tegen lichtvaardig ingrijpen in het familie- en gezinsleven door de overheid.

Uit bovenstaande volgt dat een verzoek in beginsel zal moeten worden toegewezen indien het verzoek:

- voldoende concreet en ter zake dienend is;

- feiten en omstandigheden bevat die zich lenen voor onderzoek door een deskundige;

- er geen feiten of omstandigheden aanwezig zijn op grond waarvan moet worden aangenomen dat toewijzing van het verzoek strijdig is met het belang van het kind.

Deze maatstaf is neergelegd in HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2632, PFR 2014-0272, NJ 2014/469, m.nt. S.F.M. Wortmann).

Conclusie

Het afwijzen van een verzoek om contra-expertise op het enkele feit dat een rechtbank zich voldoende voorgelicht acht, is naar mijn mening dus onvoldoende grond om een verzoek af te wijzen. Ook is het niet voldoende als de kwaliteit van het raadsrapport op grond waarvan de kinderbeschermingsmaatregel wordt verzocht, van voldoende kwaliteit is en extra onderzoek dus niet nodig wordt geacht. Wel kan de noodzaak om snel een kinderbeschermingsmaatregel te treffen reden zijn een verzoek af te wijzen. Ook kan het belastende karakter van weer een nieuw onderzoek voor het kind zich tegen verdere aanhouding van de zaak verzetten. In deze zaak lijkt het Hof Arnhem-Leeuwarden door het oog van de naald te zijn gekropen. Alleen het laatste deel van de motivering (‘terwijl voorts moet worden geoordeeld dat een nieuw onderzoek opnieuw een belasting voor [de zoon] zal betekenen, zodat ook het belang van [de zoon] zich daartegen verzet’) snijdt hout. In de praktijk zal het belastende karakter van weer een nieuw onderzoek vermoedelijk de belangrijkste reden zijn/worden om een verzoek af te wijzen.