Naar boven ↑

Annotatie

I. Curry-Sumner
3 februari 2020

Rechtspraak

Commentaar bij Rechtbank Almelo 26 september 2012, ECLI:NL:RBALM:2012:BX8810

Met betrekking tot de onderhavige kwestie rijzen twee verschillende vragen. Ten eerste de precieze afbakening tussen artikel 10:20 BW en artikel 10:24 BW. Ten tweede rijst de vraag of een dergelijke geval onder de reikwijdte van artikel 10:24 BW, en ten derde moet worden nagegaan wat de gevolgen zijn van de vaststelling dat men niet onder het erkenningsregime van artikel 10:24 BW valt.

Met betrekking tot de eerste vraag, kan worden opgemerkt dat artikel 10:19 jo 10:20 alleen van toepassing zijn wanneer het gaat om de vaststelling van de geslachtsnaam bij geboorte in Nederland of wanneer zich met betrekking tot een persoon in Nederland een wijziging in de persoonlijke staat voordoet met consequenties voor de naam (zie bijvoorbeeld §II Circulaire 8 februari 1999). De onderhavige casus valt derhalve buiten het toepassingsgebied van artikel 10:20 BW. In plaats daarvan komt artikel 10:24 BW voor toepassing in aanmerking.

Over naar de tweede vraag. Artikel 10:24 BW is geformuleerd om de erkenning van in het buitenland vastgestelde wijzigingen van de geslachtsnaam te regelen. Artikel 10:24 BW ziet o.a. echter slechts op situaties waar de geslachtsnaam vastgesteld of gewijzigd is (i) ter gelegenheid van de geboorte buiten Nederland of (ii) als gevolg van een buiten Nederland tot stand gekomen wijziging in de persoonlijke staat. In de onderhavige situatie doen beide situaties zich niet voor.

Buiten de onderhavige zaak is er geen jurisprudentie te vinden waarin de vraag wordt behandeld of artikel 10:24 BW (of de voorganger hiervan artikel 5a WCN) ook van toepassing is in gevallen waarin een persoon haar of zijn geslachtsnaam heeft gewijzigd zonder een wijziging in haar of zijn persoonlijke staat of ter gelegenheid van de geboorte in het buitenland. Bovendien staat er ook niets vermeld in de Memorie van Toelichting betreffende de invoering van artikel 5a WCN (Kamerstukken II 1997/98, 25971, nr. 3) of de invoering van artikel 10:24 BW (Kamerstukken II 2009/2010, 32137, nr. 3).

De vraag rijst derhalve of geslachtsnaamswijzigingen die in het buitenland hebben plaatsgevonden en die niet onder het artikel 10:24 BW regime vallen toch voor erkenning in aanmerking kunnen komen in Nederland. Men zou twee wegen kunnen bewandelen. Ten eerste men zou een andere erkenningsregime in Nederland kunnen proberen te vinden. Vóór erkenning van de buitenlandse geslachtsnaamswijziging pleit dat Nederland een Overeenkomstsluitende staat is bij de Overeenkomst inzake veranderingen van geslachtsnamen en voornamen, 4 september 1958 te Istanboel (Trb. 1960, 48. Zie verder R. de Groot, Personen- en familierecht, losbladige, Titel 1.2.ipr-12). Deze overeenkomst is in Nederland op 27 april 1962 in werking getreden. In artikel 3 lid 1 van deze overeenkomst is een bepaling opgenomen waarin de erkenning van buitenlandse geslachtsnaamswijzigingen wordt geregeld. Hoewel de Verenigde Staten geen overeenkomstsluitende staat bij deze overeenkomst is, zou een analoge toepassing kunnen worden bepleit. Het feit dat Nederland een dergelijke regel kent geeft aan dat Nederland buitenlandse geslachtsnaamswijzigingen accepteert. Dit argument is echter aanvechtbaar aangezien de wederzijdse erkenning van geslachtsnaamswijzigingen op grond van deze Overeenkomst op reciprociteit is gebaseerd. Het feit dat de Verenigde Staten zich niet aan dezelfde voorwaarden hoeft te verbinden, zou voldoende reden kunnen zijn om deze regel niet analoog toe te passen. Een tweede oplossing zou zijn om de geslachtsnaam in Nederland te wijzigen op grond van Besluit Geslachtsnaamwijziging nu Nederlands recht van toepassing is op wijzingen die in Nederland gebeuren (via artikel 10:20 BW). Er kan in ieder geval niet teruggevallen worden op artikel 10:20 BW om te bepalen of de naamwijziging in aanmerking komt voor erkenning in Nederland!

De vraag kan echter worden gesteld of de eis dat de wijziging ‘als gevolg van een buiten Nederland tot stand gekomen wijziging in de persoonlijke staat’ nog steeds moet worden gehandhaafd. Als een persoon een geslachtsnaamswijziging ondergaat in een land waar hij of zij ten tijde van de wijziging zijn of haar gewone verblijfplaats had, zou ik willen bepleiten dat ‘de persoonlijke staat’ eis niet zou moeten worden gesteld. Er dient meer waarde te worden gehecht aan het belang van wederzijdse erkenning van namen, respect voor de toepassing van buitenlands recht, alsmede het persoonlijke belang van partijen om het voeren van verschillende namen te voorkomen, dan het belang van de Staat om de registratie van de dergelijke naamswijzingen te weigeren.