Commentaar PFR 2018-0032

W.M. Schrama en F.M. de Kievit | 26-02-2018

Afzien van de legitieme portie door curator niet altijd legitiem. Annotatie bij Rechtbank Midden-Nederland 18 januari 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:127.


Download pdf

Lees ook de rechtspraak: Rechtbank Midden-Nederland 18-01-2018


Wendy_schrama

Afzien van de legitieme portie door curator niet altijd legitiem. Annotatie bij Rechtbank Midden-Nederland 18 januari 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:127.

In het erfrecht geldt als hoofdregel dat, indien een ouder zijn kind bij testament uitsluit van zijn wettelijke erfrechten, dit kind aanspraak kan maken op zijn legitieme portie. Deze vordering in geld komt ten laste van de erfgenamen. Of een kind hierop aanspraak maakt, is zijn eigen keuze. Het is namelijk een wilsrecht, waarvan de legitimaris zelf kan bepalen of hij het inroept of niet.

Hoe verhoudt zich dat tot de situatie dat het kind onder curatele is gesteld en de moeder de curator is? In het onderhavige geval was de vader overleden en had hij bij testament zijn dochter onterfd. De vraag die aan de kantonrechter voorgelegd werd, was of de moeder, als curator van de dochter, mocht afzien van het inroepen van de legitieme (ongeveer € 20.000). Daarbij is van belang dat het in deze zaak gaat om een wettelijke verdeling/ouderlijke boedelverdeling waarbij de vorderingen van de kinderen op hun moeder ten aanzien van de nalatenschap van hun vader nu niet opeisbaar zijn. De uitspraak laat zien dat de hoofdregel van autonomie bij de beslissing tot inroeping van de legitieme, bij de vertegenwoordiging van wilsonbekwamen anders kan liggen. De wettelijke vertegenwoordiger mag namelijk niet naar eigen inzicht het wilsrecht namens curanda uitoefenen. De kantonrechter toetst het verzoek inhoudelijk en gaat niet mee in het verzoek van de curator, om namens curanda af te zien van de legitieme portie.

Wettelijk gezien volgt de verplichting voor een curator om een machtiging aan de kantonrechter te vragen voort uit artikel 1:345 BW jo. artikel 1:386 lid 1 BW. Hieronder valt ook het afzien van de legitieme portie door de curator. De kantonrechter moet in de beoordeling van een dergelijk verzoek primair toezien op de belangen van curanda en de juiste taakuitoefening van de curator (Bauduin in Tijdschrift Erfrecht 2015/5).

In casu oordeelt de kantonrechter dat de curator geen beroep toekomt op het door haar gestelde belang dat curanda aanspraak moet kunnen blijven maken op voorzieningen uit algemene middelen. Hij maakt hierbij een afweging tussen dit belang en het algemeen belang om gemeenschappelijke voorzieningen optimaal te besteden aan personen die daar daadwerkelijk behoefte aan hebben. Het algemeen belang dient volgens hem zwaarder te wegen. Dit is bepaald opvallend, omdat dit algemeen belang niet in de afweging betrokken behoort te worden. Zo ook Pleysier, die aangeeft dat de taak van de kantonrechter niet gelegen is in het bewaken van de publieke middelen, maar alleen in die van de onder curatele gestelde (JBN 2013/10). Aldus kunnen vraagtekens worden geplaatst bij de onderhavige beoordeling.

Een vraag die aan deze overweging voorafgaat, is of het argument – toeslagen veilig stellen door afzien van de legitieme – überhaupt hout snijdt. De curator/moeder stelt dat door dit vermogen de toeslagen van de dochter in gevaar komen. Echter, hierbij ziet zowel zijzelf als de kantonrechter over het hoofd dat de niet-opeisbare vordering van de dochter op de moeder niet meetelt als vermogen dat in acht wordt genomen voor de berekening van toeslagen. Dat betekent dat het dus helemaal niet uitmaakt voor de toeslagen of de dochter wel of niet aanspraak maakt op de legitieme. De legitieme wordt pas opeisbaar als de moeder in grote financiële problemen komt die tot faillissement/schuldsanering leiden of de moeder zelf overlijdt; tegen die tijd kunnen de feiten heel anders liggen en kan het vermogen door de moeder opgesoupeerd zijn.

Niet alleen het algemeen belang, maar ook het belang van curanda vormt duidelijk een grond voor afwijzing van het verzoek. Het tweede argument van de curator, namelijk dat de dochter de financiële middelen niet nodig heeft en dat het dus niet in haar belang is om aanspraak op de legitieme te maken, wordt door de kantonrechter – terecht – anders beoordeeld. Het toekomstperspectief van curanda is een van de zaken die in ogenschouw moet worden genomen door de kantonrechter, en hier wordt nadrukkelijk aandacht aan besteed. De vordering is nu niet opeisbaar, en niet helder is hoe het toeslagensysteem er over een aantal jaar uitziet of welke vormen en mate van zorg curanda dan nodig heeft. De kantonrechter acht het beter om geld te verkrijgen uit een tamelijk zekere legitieme portie (€ 20.000 in dit geval, met niet te vergeten de rente die over deze vordering moet worden betaald) dan uit een onzeker toeslagensysteem. Het zou best kunnen zijn dat curanda het vermogen uit de legitieme portie nodig heeft voor haar levensonderhoud. Dit lijkt ons een terechte afweging. Een steekhoudend argument waarom curanda slechter af is met de legitieme portie in de toekomst blijkt ook overigens niet uit het verzoek of de feiten uit de uitspraak.

Het oordeel van de kantonrechter dat het argument van de curator dat de erflater dit zo zou hebben gewild, niet van belang is, kan onderschreven worden, al valt op dat dit argument niet wordt onderbouwd. De reden die hieraan ten grondslag ligt, is dat de legitieme door de wetgever aan kinderen is toegekend, juist geheel los van de wens van de erflater.

Kortom, het is een goede zaak dat een rechterlijke toets plaatsvindt in het kader van de bescherming van kwetsbare mensen. In deze sterk familiegebonden context, waarbij de moeder, die erfgenaam is, curator is van de dochter die een legitieme heeft, terwijl ook de andere kinderen gerechtigd zijn tot de nalatenschap, is het goed dat er iemand meekijkt. Noemenswaardig in dit verband is overigens de opmerking van kantonrechter Fikkers (Tijdschrift Erfrecht 2006/4): een curator kan stilzitten en geen verzoek ter verkrijging van een machtiging doen bij de kantonrechter. Volgens Fikkers komt de kantonrechter hier niet achter en kan berusting in het testament zo bewerkstelligd worden. Een rechtsgeldig beroep op de legitieme portie verjaart bovendien vijf jaar na het overlijden van de erflater (artikel 4:85 BW). Door op deze manier de regels niet na te leven had verzoekster dus het doel wel kunnen bereiken. Welke consequenties dat overigens zou hebben in termen van aansprakelijkheid van de curator wegens slecht bewind, is een interessante vraag, die, in de context van zwakkere personen, doorgaans evenwel een theoretische kwestie blijft.