Commentaar PFR 2017-0038

J.J. Smeenge | 18-08-2017

Nihilstelling van onderhoudsverplichting op grond van niet voor wijziging vatbare omstandigheden. Annotatie bij Hof Arnhem-Leeuwarden 19 januari 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:449.


Download pdf

Lees ook de rechtspraak: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 19-01-2017


Jan_jaap_smeenge

Nihilstelling van onderhoudsverplichting op grond van niet voor wijziging vatbare omstandigheden. Annotatie bij Hof Arnhem-Leeuwarden 19 januari 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:449.

Hof Arnhem-Leeuwarden heeft in deze zaak geoordeeld dat ‘van de man niet kan worden gevergd dat hij bijdraagt in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw’ en op grond daarvan een verzoek van de vrouw strekkende tot partneralimentatie afgewezen.

De rechtbank heeft in eerste aanleg een dergelijk verzoek van de vrouw toegewezen, nadat daartegen door de man geen verweer was gevoerd.

Het hof heeft zijn uitspraak als volgt opgebouwd. Eerst (in r.o. 5.2) wordt gememoreerd aan de grondslag van de partneralimentatieverplichting, zoals deze door de Hoge Raad is geformuleerd (voor het eerst in HR 28 september 1977, NJ 1978/432):

‘de verplichting om na de ontbinding van het huwelijk de echtgenoot, die niet voldoende inkomsten tot zijn levensonderhoud heeft, noch zich in redelijkheid kan verwerven, te blijven steunen, […] berust op de levensverhouding zoals die door het huwelijk is geschapen en die haar werking, zij het in beperkter omvang behoudt, ook al wordt de huwelijksband geheel of ten dele geslaakt.’

Deze grondslag wordt ook wel genoemd: de (na echtscheiding) voortdurende lotsverbondenheid.

Vervolgens (in r.o. 5.3) wordt het standpunt van de man verworpen, dat er nimmer sprake is geweest van lotsverbondenheid.

Het hof stelt (in r.o. 5.4) vast dat de vrouw behoefte heeft aan een bijdrage en laat in het midden of de man draagkracht heeft om een bijdrage te voldoen. Het hof is van oordeel dat de omstandigheden van het geval maken dat geen bijdrage aan hem dient te worden opgelegd. Het hof schetst de achtergronden van de zaak en noemt vervolgens een vijftal factoren dat leidt tot het oordeel dat van de man niet kan worden gevergd dat hij bijdraagt in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw. De vijf factoren zijn:

1. de aard van de relatie van partijen, waarbij zij elkaar slechts af en toe zagen en waarbij geen sprake was van wederzijdse verzorging, samenwoning of het voeren van een gemeenschappelijke huishouding;

2. dat het huwelijk uitsluitend is aangegaan om de familie van de vrouw tevreden te stellen en voor beide partijen geen maatschappelijke consequenties had;

3. dat de aard van de relatie van partijen door het aangaan van het huwelijk op geen enkele wijze is veranderd;

4. de (korte) duur van het huwelijk;

5. dat de relatie van partijen reeds geruime tijd vóór de indiening van het echtscheidingsverzoek was beëindigd, partijen zich niet bewust meer waren van het huwelijk en pas een echtscheidingsverzoek (met alimentatieverzoek) hebben ingediend toen naar aanleiding van een uitkeringsaanvraag naar voren kwam dat zij nog waren gehuwd.

Het vertrekpunt van het hof lijkt me juist. De jurisprudentie van de Hoge Raad over de grondslag van de partneralimentatieverplichting is geldend recht en zal dit blijven totdat de wetgever of de Hoge Raad zelf een andere grondslag zal aanwijzen. Ook de volgende stap in de redenering van het hof lijkt me juist. Aan te nemen dat er nimmer sprake is geweest van lotsverbondenheid is strijdig met de bestaande jurisprudentie. De Hoge Raad wijst namelijk het huwelijk zelf aan als bron van deze lotsverbondenheid en er is in dit geval wel degelijk sprake geweest van een huwelijk.

Het interessantst is de volgende en laatste stap in de redenering van de hof. Het hof laat de financiële omstandigheden (draagkracht en behoefte) voor wat ze zijn en betrekt de niet-financiële omstandigheden in zijn oordeel. Dat niet-financiële omstandigheden bij de vaststelling van de partneralimentatie kunnen worden meegewogen is al lange tijd vaste rechtspraak (door de Hoge Raad voor het eerst erkend in HR 12 december 1975, NJ 1976/573).

Bezien we nu de omstandigheden die het hof noemt, dan valt op dat de afwezigheid van wederzijdse verzorging, van een samenwoning en van een gemeenschappelijke huishouding als eerste omstandigheid (mede) naar voren worden gebracht. De Hoge Raad heeft echter in een eerdere zaak overwogen dat ‘[niet] als juist [kan] worden aanvaard […] dat slechts een onderhoudsverplichting bestaat, indien sprake is geweest van wederzijdse verzorging, van samenwonen of van het voeren van een gemeenschappelijke huishouding’ (HR 9 februari 2001, NJ 2001/216). Ook het hof refereert aan deze lijn in de rechtspraak, namelijk aan de op de genoemde uitspraak voortbouwende beschikking van de Hoge Raad van 1 februari 2002 (ECLI:NL:HR:2002:AD6632). Het hof overweegt daarover:

‘Deze factoren kunnen wel van invloed zijn op de omvang en duur van de onderhoudsplicht. Aan de rechter is een belangrijke discretionaire bevoegdheid toegekend om aan de hand van de maatstaven “draagkracht en behoefte” en de overige (ook niet-financiële) omstandigheden te beslissen of daadwerkelijk een uitkering moet worden toegekend.’

Mag men nu, even los van de andere omstandigheden, hieruit afleiden dat alleen een onderhoudsverplichting bestaat indien sprake is geweest van wederzijdse verzorging, van samenwonen of van het voeren van een gemeenschappelijk huishouding? Nee, dat mag niet, aldus de zojuist aangehaald passage van uitspraak van de Hoge Raad.

Mag men dan op grond van deze omstandigheden vanwege een aan de rechter toekomende discretionaire bevoegdheid beslissen dat, hoewel de onderhoudsplicht bestaat, deze geen enkele invulling krijgt? Met andere woorden, dat de onderhoudsverplichting op nihil wordt gesteld? Gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad lijkt dat niet de bedoeling te zijn. Dat artikel 1:157 lid 1 BW een ‘kan-bepaling’ is, betekent niet dat het de rechter vrijstaat om een bestaande onderhoudsplicht inhoudsloos te maken. De omstandigheden waarop de rechter zich beroept zijn immers niet voor wijziging vatbaar. De nihilstelling komt dan neer op een definitieve beëindiging van de onderhoudsplicht.

De redenering van de Hoge Raad is, dat als gevolg van het huwelijk een lotsverbondenheid ontstaat die haar werking na echtscheiding ten dele behoudt. In beginsel – behoudens zeer bijzondere omstandigheden – bestaat er alsdan na echtscheiding op grond van de voortdurende lotsverbondenheid een verplichting om in het levensonderhoud te voorzien. Deze bijzondere omstandigheden zijn in elk geval – gelet op de geciteerde passage uit HR 9 februari 2001, NJ 2001/216 – niet de afwezigheid van wederzijdse verzorging, van een samenwoning en van een gemeenschappelijke huishouding gedurende het huwelijk.

Deze kwestie was niet zo belangrijk geweest als de overige omstandigheden die het hof noemt, voldoende gewicht in de schaal konden leggen om de beslissing te dragen dat er in dit geval geen onderhoudsplicht bestaat en dus geen uitkering dient te worden vastgesteld. De vraag is of dit het geval is. Kort bespreek ik de overige omstandigheden.

Het huwelijk is kennelijk aangegaan om aan de wensen van de familie van de vrouw tegemoet te komen. Hier doet zich een parallel voor met de door het hof zelf geciteerde uitspraak van de Hoge Raad van 1 februari 2002 waarin sprake zou zijn van een (in de woorden van de man) schijnhuwelijk. De beweegredenen om een huwelijk aan te gaan vond de Hoge Raad in dat geval niet zo interessant. Ik vraag me af of in dit geval anders moet worden geoordeeld. Ik denk het niet.

De aard van de relatie zou op geen enkele wijze veranderd zijn. Kennelijk bedoelt het hof hier de sociale of emotionele aard van de relatie, want in juridisch opzicht is er natuurlijk wel sprake van een veranderde aard van de relatie. Een huwelijk heeft immers vele rechtsgevolgen. Mijns inziens mist deze omstandigheid zelfstandige waarde.

De korte duur van het huwelijk is wel een niet-financiële omstandigheid die mee kan worden gewogen in het oordeel over de omvang van een onderhoudsplicht. Overigens heeft de korte duur van een huwelijk gevolg voor de duur van de onderhoudsverplichting, zoals volgt uit artikel 1:157 lid 6 BW. Wat mij betreft hoeft aan de korte duur van een huwelijk gelet op deze in beginsel vrij strakke regeling in verband met de vaststelling van de omvang van de onderhoudsverplichting niet al te veel gewicht te worden toegekend. Een zeer kort (kinderloos) huwelijk kent een net zo korte duur van de onderhoudsverplichting. Waarom zouden we deze onderhoudsverplichting daarnaast nog in omvang beperken? De uitspraak vertelt niet hoe kort het huwelijk geduurd heeft en kennelijk heeft het wel lang genoeg geduurd voor partijen om te vergeten dat zij gehuwd waren.

Wat betreft de door het hof vastgestelde feiten dat de relatie van partijen reeds geruime tijd vóór de indiening van het echtscheidingsverzoek was beëindigd, partijen zich niet bewust meer waren van het huwelijk en pas een echtscheidingsverzoek (met alimentatieverzoek) hebben ingediend toen naar aanleiding van een uitkeringsaanvraag naar voren kwam dat zij nog waren gehuwd, ontgaat mij de relevantie voor de duur en omvang van een onderhoudsplicht. Het hof licht dit niet toe.

Ook de zojuist genoemde overige omstandigheden zijn niet voor wijziging vatbaar. De uitspraak maakt de bestaande en door het hof erkende onderhoudsverplichting inhoudsloos voor nu en voor de toekomst. Dit lijkt me in dit geval te ver gaan.